Bron: Belastingplan 2014



4.5 Motorrijtuigenbelasting voor oldtimers (pag. 14-17)

Regeerakkoord en totstandkoming alternatief

Oldtimers, auto’s ouder dan 30 jaar, zijn thans vrijgesteld van MRB, waarbij nu al een overgangsregeling geldt voor auto’s tussen de 25 en 30 jaar. Zowel het aantal als het gebruik van oldtimers is de afgelopen jaren substantieel toegenomen. Op 1 januari 2008 waren er nog 215.000 oldtimer-personenauto’s, begin 2013 waren er bijna 90.000 meer, te weten 305.000 oldtimer-personenauto’s. Dat is een groei van 40% in vijf jaar. Van deze groep rijden vooral jonge oldtimers relatief veel kilometers, wat erop duidt dat deze niet alleen voor recreatief verkeer, maar vooral voor dagelijks verkeer worden gebruikt. Het jaarkilometrage van oldtimers neemt af naarmate de leeftijd van de personenauto stijgt.

Zowel vanuit budgettaire beheersbaarheid als vanuit milieuoogpunt is deze toename ongewenst. Het budgettaire belang van deze vrijstelling is inmiddels zodanig toegenomen dat afschaffing daarvan tot een besparing leidt van € 153 miljoen. De uitstoot van oldtimers bedroeg in 2011 bijna 3 kiloton stikstofoxiden (NOx) en 0,2 kiloton fijnstof (PM10). Oldtimers waren daarmee verantwoordelijk voor 10% van de NOx-emissie en 5% van de PM10-emissie van personenauto’s, terwijl hun bijdrage in het aantal voertuigkilometers maar zo’n 1,5% bedraagt. Het terugdringen van de relatief jonge oldtimers op diesel draagt dan ook bij aan de verbetering van de lokale luchtkwaliteit, met name in gemeenten (11).

Mede in het licht van voorgaande is in het regeerakkoord voorzien in de afschaffing van de vrijstelling van MRB voor oldtimers. Deze “aankondiging” heeft er vrijwel direct toe geleid dat het aantal importen van vaak relatief jonge oldtimers op diesel en LPG, sterk is afgenomen. De afgelopen jaren leek het aandeel diesel- en LPG-auto’s in de import van deze relatief jonge oldtimers aanzienlijk groter dan het aandeel diesel en LPG–auto’s in de rest van het wagenpark.

Tegelijkertijd is het aantal exporten van vergelijkbare oldtimers sterk toegenomen. Er is onmiskenbaar sprake van anticipatie op het (voorgestelde) regime.
Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft de oorspronkelijk in het regeerakkoord opgenomen volledige afschaffing van de vrijstelling MRB indicatief doorgerekend op zijn milieueffecten (12). 

Het afschaffen van de vrijstelling van de MRB voor oldtimers zou leiden tot een verbetering van de lokale luchtkwaliteit. Onder de conditie dat deze maatregel voor alle oldtimers geldt, daalt de NOx-emissie van personenauto’s in 2015 met 3 à 4% (0,7 kiloton). De verbrandingsemissie van fijnstof daalt met circa 5%.

Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2013 is toegezegd om bij de uitwerking van deze maatregel te zoeken naar een goed uitvoerbare oplossing waarin het mobiel historisch erfgoed wordt ontzien en de mogelijkheid blijft bestaan om met behoud van de vrijstelling MRB een aantal keren per jaar dit erfgoed te gebruiken. Tegelijkertijd moeten de auto’s die niet kwalificeren als historisch erfgoed, die wel aan het jarencriterium van de huidige oldtimerregeling voldoen, maar die de facto elke dag in het verkeer worden gebruikt en zorgen voor nogal wat milieu-uitstoot, wel worden belast. De Tweede Kamer heeft vervolgens bij deze behandeling twee moties over dit onderwerp aangenomen. In de eerste plaats betreft dit de motie Bashir.13 In deze motie wordt het kabinet verzocht om in het voorjaar van 2013 een aantal voorstellen te doen waardoor het dagelijks gebruik van de oldtimer wordt ontmoedigd, maar tevens de vrijstelling van MRB in stand te houden voor mensen die de oldtimer hobbymatig gebruiken. In de tweede plaats gaat het om de motie Van Vliet.14 In deze motie wordt het kabinet verzocht om een oplossing te zoeken die bezitters van oldtimers in enige vorm in staat stelt hun voertuig (cultureel erfgoed) niet op te hoeven geven.


Overgangsregeling

Op basis van de toezegging en de moties is een aantal alternatieven besproken met vertegenwoordigers van de oldtimerbranche. Zoals meegedeeld in de brief van 24 april 2013 aan de Tweede Kamer is overeenstemming bereikt over een alternatief voor de in het regeerakkoord aangekondigde volledige afschaffing van de vrijstelling MRB voor oldtimers (15). Dit alternatief is opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel en ziet er als volgt uit.

Vanaf 1 januari 2014 geldt een vrijstelling van MRB voor alle motorrijtuigen van 40 jaar en ouder. Daarnaast komt er een overgangsregeling voor personen- en bestelauto’s rijdend op benzine, motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die op 1 januari 2014 26 jaar of ouder zijn maar nog geen 40 jaar. Deze voertuigen komen in aanmerking voor een kwarttarief in de MRB over het gehele kalenderjaar met een maximum van € 120 onder de voorwaarde dat er in de maanden januari, februari en december niet van de openbare weg gebruik wordt gemaakt. Om tot een eenvoudige en praktisch uitvoerbare regeling te komen benadert de Belastingdienst jaarlijks in het vierde kwartaal de houder van een in aanmerking komend voertuig met de vraag of hij vóór 1 januari van het komend kalenderjaar kiest voor de overgangsregeling. Indien de houder vervolgens vóór aanvang van het kalenderjaar het begunstigde tarief met een maximum van € 120 onder vermelding van het betalingskenmerk voldoet, geldt voor hem het begunstigde tarief. Om bij de inwerkingtreding op 1 januari 2014 de houder voldoende gelegenheid te bieden een keuze te maken zodat hij ook in 2014 gebruik kan maken van de overgangsregeling, zal de houder tijdig een brief ontvangen en krijgt hij, in afwijking van de reguliere procedure waarbij de betaling bij de aanvang van het tijdvak betaald moet zijn, tot 1 maart 2014 de tijd om te kiezen voor de overgangsregeling, waarbij in de maanden januari en februari 2014 gewoon gebruik van de weg kan worden gemaakt.

Met deze overgangsregeling wordt het overgrote deel van de oldtimers die per 1 januari 2014 tussen de 26 en 40 jaar oud zijn en die niet dagelijks gebruik van de weg maken, ontzien. Hiermee vallen veel van de oldtimers die onder de “oude” overgangsregeling vallen onder de nu voorziene overgangsregeling. Deze regeling wordt breed gesteund in de Tweede Kamer.

Personen- en bestelauto’s op diesel of LPG van 26 jaar en ouder maar die nog geen 40 jaar oud zijn komen niet in aanmerking voor de overgangsregeling. Voor deze auto’s geldt geen overgangsrecht en dat betekent dat voor deze auto’s het volle MRB-tarief verschuldigd is. Hierbij zij bedacht dat met name relatief jonge geïmporteerde diesel- en LPG-oldtimers bestemd zijn voor dagelijks gebruik, veel meer dan benzine-oldtimers. Uitgangspunt is dat het cultureel rijdend erfgoed behouden blijft en het dagelijks gebruik van oldtimers zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het milieuaspect speelt daarnaast een belangrijke rol om de diesels niet in aanmerking te laten komen voor de begunstigende overgangsregeling. Voor de LPG-auto’s geldt dat het vrijwel nooit om origineel rijdend cultureel erfgoed gaat. Voor al deze auto’s blijft altijd de mogelijkheid open van de zogenoemde schorsing van het voertuig, waardoor ook de verschuldigdheid van de MRB wordt opgeschort.

Houders van een oldtimer die gebruikmaken van de overgangsregeling mogen in de maanden januari, februari en december geen gebruik maken van de openbare weg. Dit houdt in dat die voertuigen zich in die periode niet op de openbare weg mogen bevinden en daar dus ook niet op mogen parkeren. De Belastingdienst zal in die periode de kentekens van de desbetreffende oldtimers matchen met de voertuigpassagegegevens waarover de dienst beschikt. Als blijkt dat deze oldtimers in die periode toch gebruik hebben gemaakt van de weg, dan ontvangen de houders van die oldtimers een verzuimboete die kan oplopen tot maximaal € 4920 (het maximum dat geldt ingevolge artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). Bovendien zullen ze dan ook het normale MRB-tarief moeten betalen. Deze werkwijze wijkt niet af van de werkwijze die nu al wordt gehanteerd bij het toezicht op andere onderdelen van de MRB, zoals de regeling met betrekking tot schorsing van voertuigen.

11 Zie ook de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 20 december 2012, Kamerstukken II 2012/13, 30 175, nr. 154.
12 Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 30.

13 Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 33.
14 Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 39.
15 Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 59.



De voorgestelde wetswijziging (pag. 57-63)


Artikel XIX, onderdeel E (artikel 72 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

In artikel 72 van de Wet MRB 1994 is geregeld dat voor bepaalde categorieën motorrijtuigen onder voorwaarden een vrijstelling van de MRB wordt verleend. Het eerste lid, onderdeel b, van dit artikel voorziet in een vrijstelling voor oldtimers, gedefinieerd als motorrijtuigen die ten minste 30 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen. Ter uitvoering van hetgeen daarover is neergelegd in het regeerakkoord, wordt, met ingang van 1 januari 2014, de leeftijdsgrens verhoogd tot 40 jaar. Als gevolg daarvan geldt, onder voorwaarden, een vrijstelling voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar eerder in gebruik zijn genomen. Het huidige derde en vierde lid van dit artikel bevatten overgangsbepalingen voor motorrijtuigen die per 1 januari 2012 niet aan de leeftijdsgrens van 30 jaar voldeden.8. In verband met de genoemde verhoging van de leeftijdsgrens naar 40 jaar vervallen deze overgangsregelingen en wordt het vijfde lid vernummerd tot derde lid. Het nieuwe overgangsrecht dat bij de verhoging van de vrijstelling naar 40 jaar wordt geïntroduceerd, is opgenomen in de eveneens in dit wetsvoorstel opgenomen artikelen 84a en 84b van de wet MRB (artikel XIX, onderdeel G).


Artikel XIX, onderdeel F (artikel 81a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

Artikel 81a van de Wet MRB 1994 voorziet in de gebruikelijke inflatiecorrectie van de in die wet opgenomen tarieven. Door de toevoeging van een verwijzing naar het in het nieuwe artikel 84a, tweede lid, (artikel XIX, onderdeel G) genoemde maximumbedrag aan artikel 81a van de Wet MRB 1994 wordt bewerkstelligd dat de inflatiecorrectie ook jaarlijks wordt toegepast op het maximumbedrag van het overgangsrecht voor oldtimers met ingang van 1 januari 2015.


Artikel XIX, onderdeel G (hoofdstuk XA en de artikelen 84a en 84b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

Inleiding overgangsrecht
Ingevolge artikel XIX, onderdeel G, wordt een hoofdstuk XA in de Wet MRB 1994 ingevoegd. In de eerste plaats ziet het hoofdstuk op overgangsrecht voor oudere motorrijtuigen (veelal aangeduid met de term oldtimers), een overgangsrecht dat zich uitstrekt tot het kalenderjaar 2028. Daarnaast introduceert het hoofdstuk een aantal bepalingen voor dit overgangsrecht die afwijken van de bepalingen in de wet omtrent de wijze van heffing, tarief en naheffing. Door deze afwijkende bepalingen in hetzelfde hoofdstuk onder te brengen als de materiële omschrijving van het overgangsrecht ontstaat een overzichtelijk geheel.

Hoofdstuk XA bevat het overgangsrecht voor oudere motorrijtuigen die niet voldoen aan de voorgestelde leeftijdsgrens van 40 jaar voor de vrijstelling in de MRB voor oldtimers. Het in het hoofdstuk opgenomen artikel 84a van de Wet MRB 1994 regelt de kenmerken van de overgangsregeling op zowel het materieeljuridische als formeel-juridische vlak. De overgangsregeling ingevolge dat artikel 84a staat open voor personenauto’s en bestelauto’s rijdend op benzine, en motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die uiterlijk in 1987 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Indien een motorrijtuig op grond van de registratie in het basisregister voertuigen van de RDW kwalificeert voor de overgangsregeling, ontvangt de houder van dat motorrijtuig een brief van de Belastingdienst waarin hij wordt geïnformeerd dat hij kan kiezen voor de toepassing van de overgangsregeling voor het komende kalenderjaar door indiening van een verzoek daartoe. De keuze voor de overgangsregeling geldt in beginsel voor een geheel kalenderjaar. Wordt er in de loop van het kalenderjaar alsnog overgestapt naar de reguliere MRB dan wordt het reguliere tarief aan belasting nageheven over het gehele kalenderjaar. Hiermee wordt het “cherry picking” effect ondervangen zodat het niet mogelijk is bijvoorbeeld voor de maanden maart tot en met november onder het tarief van de overgangsregeling te vallen en voor de maanden december tot en met februari onder het reguliere MRB-tarief. Het verzoek voor de toepassing van de overgangsregeling bestaat uit het betalen van de MRB over het gehele kalenderjaar onder vermelding van het betalingskenmerk zoals in de brief aangegeven door de inspecteur. Zodra de betaling volledig en tijdig bij de Belastingdienst is binnengekomen, is het verzoek ingewilligd. Indien de betaling niet volledig of niet tijdig is, valt het motorrijtuig voor dat kalenderjaar niet onder de overgangsregeling. In dat geval valt de belastingplichtige voor dat motorrijtuig onder de reguliere MRB en betaalt hij op de gebruikelijke wijze. Het in hoofdstuk XA opgenomen artikel 84b van de Wet MRB 1994 geeft enkele afwijkende bepalingen voor de toepassing van de overgangsregeling in het eerste jaar dat deze regeling in werking moet treden, het kalenderjaar 2014.

Tijdvak en tarief
Het eerste lid van eerdergenoemd artikel 84a bepaalt dat het tijdvak voor de overgangsregeling, in afwijking van artikel 10 van de Wet MRB 1994, geen drie maanden is maar een kalenderjaar.

Het tweede lid van dat artikel 84a regelt dat op verzoek van de belastingplichtige de belasting wordt berekend op basis van het driemaandstarief, toegepast over het kalenderjaar (kwarttarief). Aangezien de belasting al voor aanvang van het kalenderjaar moet zijn voldaan, wordt als grondslag uitgegaan van het driemaandstarief geldend op 31 december voor de belasting van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Daarbij wordt verwezen naar het driemaandstarief, genoemd in de artikelen 23, 24, 24a, 24b, 25, 25a of 25c van de Wet MRB 1994, dat van toepassing is voor het kalenderjaar in plaats van het daar genoemde tijdvak van drie maanden.
Er is niet expliciet verwezen naar het eerste lid van artikel 23 van de Wet MRB 1994 omdat het alleen gaat om door benzine aangedreven personen- en bestelauto’s en de brandstoftoeslagen derhalve niet van toepassing zijn. Kampeerauto’s en rijdende winkels vallen niet onder de overgangsregeling. De reden hiervoor is dat de wet al voorziet in bijzondere regelingen voor deze categorieën voertuigen en cumulatie van bijzondere regelingen niet wenselijk wordt geacht. Voor een kampeerauto geldt al een kwarttarief MRB ingevolge artikel 23a van de Wet MRB 1994 (bij bedrijfsmatige verhuur geldt een halftarief). Een rijdende winkel valt ingevolge artikel 25b van de Wet MRB 1994 onder een verlaagd tarief. Ook ontbreekt in de opsomming artikel 26 van de Wet MRB 1994 dat ziet op in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen die in Nederland worden gebruikt door een houder die niet in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd. Dit omdat voor het merendeel van de niet-inwoners met een buitenlands getekende auto een vrijstelling geldt. Op grond van het tweede lid, tweede volzin, van het nieuwe artikel 84a van de Wet MRB 1994 wordt de belasting met inbegrip van de provinciale opcenten gemaximeerd op € 120 per kalenderjaar. Provinciale opcenten zijn naast de belasting verschuldigd voor personenauto’s en motorrijwielen. Het maximumbedrag van € 120 wordt jaarlijks geïndexeerd.

Voor welke voertuigen
Het derde lid van artikel 84a van de Wet MRB 1994 geeft weer welke motorrijtuigen onder de overgangsregeling kunnen vallen en welke voorwaarden en beperkingen daarbij van toepassing zijn. Het betreft personenauto’s en bestelauto’s rijdend op benzine, en motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die vóór 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Personen- en bestelauto’s rijdend op een andere brandstof dan benzine, dit zal vaak gasolie (diesel) of vloeibaar gemaakt petroleumgas (LPG) zijn, komen niet in aanmerking voor de overgangsregeling. Het derde lid, onderdeel b, van dit artikel 84a ziet hierop. Met diesel- en LPG-auto’s worden in de regel veel kilometers gereden. De houder van een diesel- of LPG-auto jonger dan 40 jaar heeft derhalve de keuze tussen het betalen van de reguliere MRB dan wel het schorsen van deze auto (gedurende een deel van het jaar). Overigens is het ook mogelijk om een LPG-auto weer in de originele staat te herstellen, zodat die weer als benzineauto wordt aangemerkt. Als dan komt die auto dan weer met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar in aanmerking voor het overgangsrecht. Het derde lid, onderdeel c, regelt de beperking dat met het motorrijtuig waarvoor het overgangsrecht van toepassing is geen gebruik van de weg mag worden gemaakt in de maanden januari, februari en december. Voor het begrip “weg” wordt aangesloten bij de definitie in artikel 5 van de Wet MRB 1994. Er mag niet op de openbare weg worden geparkeerd of gereden indien de overgangsregeling toepassing vindt op een motorrijtuig in genoemde maanden van het toepasselijke kalenderjaar. Hierop is slechts één uitzondering mogelijk. Het is toegestaan om gebruik van de weg te maken op de dag waarop het motorrijtuig aan een APK-keuring wordt onderworpen naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsbewijs. Deze uitzondering is ontleend aan artikel 72, eerste lid, onderdeel m, van de Wet MRB 1994.
Op grond van het derde lid, onderdeel d, van genoemd artikel 84a is de overgangsregeling, indien het een vrachtauto of autobus betreft, slechts van toepassing indien deze vrachtauto of autobus niet bedrijfsmatig wordt gebruikt. Deze voorwaarde wordt eveneens gesteld voor de vrijstelling in artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Wet MRB 1994. De overgangsregeling kan alleen toepassing vinden indien de belasting in haar geheel is betaald vóór aanvang van het kalenderjaar. Dit vloeit voort uit artikel 84a, derde lid, onderdeel e, van de Wet MRB 1994.

Aanvullende aangifte en betaling
Artikel 84a, vierde lid, van de Wet MRB 1994 regelt dat het verzoek om toepassing van het artikel wordt aangemerkt als het doen van een aanvullende aangifte. Het doen van een aanvullende aangifte is een begrip dat reeds voorkomt in artikel 17, tweede lid, van de Wet MRB 1994. Om aan te sluiten bij de bestaande systematiek is ervoor gekozen om het verzoek om toepassing van het verlaagde tarief aan te merken als een aanvullende aangifte. Onder de huidige regels wordt de aanvraag om afgifte van een kentekenbewijs (nieuwe registratie) of om wijziging van de tenaamstelling (verkoop) aangemerkt als het doen van (reguliere) aangifte. Iedere auto die in Nederland (opnieuw) is geregistreerd, wordt onder deze systematiek geacht aangifte te hebben gedaan. Deze aangifte geldt vervolgens voor alle opvolgende tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden. Zonder toepassing van de overgangsregeling valt een motorrijtuig van nog geen 40 jaar oud per 1 januari 2014 onder het reguliere tarief. Een toepassing van de overgangsregeling op verzoek kan dan ook als een verandering worden beschouwd waardoor de belasting lager wordt. Het is dan ook een logische stap om het verzoek om toepassing van het verlaagde tarief als gevolg van deze overgangsregeling aan te merken als een aanvullende aangifte.
Ingevolge het vijfde lid van artikel 84a van de Wet MRB 1994 bestaat het verzoek uit het betalen van de belasting onder vermelding van het betalingskenmerk zoals aangegeven door de inspecteur. Indien een motorrijtuig op grond van de inschrijving in het kentekenregister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994, kwalificeert voor de overgangsregeling, ontvangt de houder van dat motorrijtuig een brief van de Belastingdienst in het laatste kwartaal van het lopende kalenderjaar. In deze brief wordt hij geïnformeerd dat hij kan kiezen voor de toepassing van de overgangsregeling voor het kalenderjaar door het indienen van een verzoek. Door indiening van het verzoek aanvaardt de houder de voorwaarden en beperkingen van de overgangsregeling. Het verzoek bestaat uit het betalen van de MRB conform het overgangsrecht over het kalenderjaar vóór 1 januari van het kalenderjaar. Zodra de betaling volledig en tijdig bij de Belastingdienst met de correcte vermelding van het betalingskenmerk is binnengekomen, is het verzoek ingewilligd. De belastingplichtige ontvangt hiervan een kennisgeving. Indien het verzoek niet adequaat is ingediend - de betaling is niet volledig of niet tijdig - valt het motorrijtuig voor dat kalenderjaar niet onder de overgangsregeling. Dit is het gevolg van artikel 84a, derde lid, onderdeel e, van de Wet MRB 1994 in combinatie met het vijfde lid van dat artikel. In dat geval valt dat motorrijtuig onder de reguliere MRB voor het kalenderjaar en dient de belastingplichtige op de gebruikelijke wijze te betalen.

Bijzondere situaties
Het zesde en zevende lid van het onderhavige artikel 84a zien op specifieke situaties die zich in de loop van het kalenderjaar kunnen voordoen. Het zesde lid ziet op een motorrijtuig dat uit het buitenland afkomstig is en wordt voorzien van een Nederlands kenteken door registratie bij de RDW. In afwijking van het eerste lid van genoemd artikel, vangt het eerste tijdvak voor dit motorrijtuig aan met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het in Nederland afgegeven kentekenbewijs. De houder van het in Nederland geregistreerde motorrijtuig ontvangt van de Belastingdienst standaard een rekening voor de reguliere MRB. Indien belastingplichtige nog vóór het verstrijken van de betalingstermijn kenbaar maakt gebruik te willen maken van de overgangsregeling, wordt er door de Belastingdienst een brief met de uitnodiging tot het doen van het eerdergenoemde verzoek gestuurd en kan dan op basis van dat verzoek de overgangsregeling worden toegepast waarbij de belasting overeenkomstig het overgangsrecht is verschuldigd. De tijdvakken volgend op het tijdvak waarin de eerste tenaamstelling heeft plaatsgevonden volgen het normale systeem van de overgangsregeling en vangen derhalve aan op 1 januari.

Bij verkoop van een motorrijtuig in de loop van het kalenderjaar vindt een wijziging van de tenaamstelling van het kentekenbewijs voor dat motorrijtuig plaats. Het zevende lid bepaalt dat indien de overgangsregeling in het kalenderjaar is toegepast, de nieuwe houder geen aanvullende aangifte hoeft te doen indien de overgangsregeling voor dat kalenderjaar wordt voortgezet; in dat geval neemt hij wel de verplichtingen over die de overgangsregeling met zich brengt. Indien de overgangsregeling niet in het kalenderjaar is toegepast en de nieuwe houder van het motorrijtuig wel voor toepassing van de overgangsregeling kiest, vangt op de voet van het zevende lid het tijdvak voor de toepassing van de overgangsregeling aan met ingang van de het eerstvolgende kalenderjaar. In het geval dat de nieuwe houder voor toepassing van het reguliere tarief van de MRB kiest en dus afziet van de overgangsregeling, kan hij dit kenbaar maken door een aanvullende aangifte te doen. Ingevolge artikel 84a, het achtste lid, onderdeel b, vangt het tijdvak voor de toepassing van het reguliere tarief van de MRB aan overeenkomstig het normale systeem, namelijk met ingang van de dag van dagtekening van de wijziging van de tenaamstelling. De belasting wordt op grond van de overgangsregeling niet verminderd indien in hetzelfde kalenderjaar voor een motorrijtuig een schorsing als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994 geldt. Deze bepaling vormt een afwijking van artikel 18, eerste lid, van de Wet MRB 1994 op grond waarvan bij wisseling of beëindiging van houderschap teruggaaf van belasting wordt verleend.

Beëindiging overgangsregeling
Artikel 84a, achtste lid, van de Wet MRB 1994 bepaalt dat de houder een aanvullende aangifte doet indien niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden voor het overgangsrecht. Deze aanvullende aangifte wordt gedaan uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dag dat niet of niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. De aanvullende aangifte heeft betrekking op de reguliere belasting over het gehele kalenderjaar.
De keuze voor de overgangsregeling geldt voor het gehele kalenderjaar. Het is dus niet mogelijk om gedurende een deel van het kalenderjaar gebruik te maken van de overgangsregeling en gedurende het resterende deel van het kalenderjaar de reguliere MRB. Ook in het geval van import, export, tussentijdse verkoop of bijvoorbeeld sloop geldt het tarief voor het gehele kalenderjaar. Hiervoor is gekozen omdat het om een begunstigende regeling gaat waarbij de verschuldigde belasting het kwarttarief doch ten hoogste € 120 per kalenderjaar bedraagt. Ook uitvoeringstechnische overwegingen spelen hierbij een rol. Dit betekent dat de houder zich bij zijn keuze voor de overgangsregeling moet realiseren dat er geen teruggaaf in dat kalenderjaar zal zijn.

Indien de houder niet of niet langer voldoet aan de bij of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden, is het negende lid van genoemd artikel 84a van toepassing. Indien de Belastingdienst constateert dat niet wordt voldaan aan deze voorwaarden, kan de reguliere belasting over het gehele kalenderjaar worden nageheven. In deze situatie is sprake van een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete overeenkomstig artikel 67c van de AWR kan opleggen aan de houder van het motorrijtuig. Het gaat om verzuimboeten van ten hoogste 100 percent van de naheffingsaanslag. Bij een boete van 100 percent van de naheffingsaanslag zal de boete nooit meer bedragen dan € 4920 (het maximum dat geldt ingevolge artikel 67c van de AWR).

Bijzondere bepalingen in de MRB
Ingevolge het tiende lid van genoemd artikel 84a blijven voor de overgangsregeling verschillende artikelen van de Wet MRB 1994 buiten toepassing. Dit wordt hierna toegelicht. Artikel 11 van de Wet MRB 1994 blijft buiten toepassing omdat artikel 84a, zesde en zevende lid, van die wet specifiek ziet op situaties die normaliter door artikel 11 van de Wet MRB 1994 worden bestreken. De artikelen 12 en 13 van die wet blijven buiten toepassing omdat de overgangsregeling uitsluitend ziet op motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het basisregister voertuigen van de RDW. Cruciaal voor toepassing van deze overgangsregeling is dat de belasting in haar geheel is betaald vóór 1 januari van het kalenderjaar. Gelet hierop blijven de artikelen 15, derde lid, en 16 van de Wet MRB 1994 buiten toepassing omdat onder de overgangsregeling geen teruggaaf van belasting verleend wordt. Artikel 17, vierde lid, van die wet blijft buiten toepassing omdat de overgangsregeling uitsluitend toepassing kan vinden door het doen van een aanvullende aangifte door de belastingplichtige voor één kalenderjaar. Artikel 18 van de Wet MRB 1994 blijft op grond van het tiende lid van artikel 84a van de Wet MRB 1994 buiten toepassing omdat onder de overgangsregeling geen teruggaaf van belasting wordt verleend. De artikelen 19, 20 en 21 van de Wet MRB 1994 hebben betrekking op de procedure voor de heffing van belasting ingeval van schorsing. Voor de toepassing van de overgangsregeling wordt geen rekening gehouden met een schorsing. De situatie van een kort tijdvak in artikel 27 van de Wet MRB 1994 kan zich bij de overgangsregeling niet voordoen. Zoals hiervoor al is toegelicht, kan de overgangsregeling niet samenlopen met het verlaagde tarief ingevolge artikel 30 van de Wet MRB 1994. Artikel 33, tweede tot en met vierde lid, van die wet is niet van toepassing aangezien de overgangsregeling een eigen begrip kent als het gaat om het tijdvak. Artikel 36 van de Wet MRB 1994 kan alleen van toepassing zijn ingeval artikel 23a of artikel 30 van die wet is toegepast.

Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat bijvoorbeeld artikel 33, eerste lid, van de Wet MRB 1992 wel van toepassing is en wel bijvoorbeeld in het geval een benzinepersonen- of bestelauto zou worden omgebouwd tot een auto die wordt aangedreven door een andere brandstof. In dat geval kan de te weinig geheven belasting worden nageheven.
Het elfde lid van artikel 84a van de Wet MRB 1994 voorziet in de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen ter uitvoering van dat hoofdstuk XA. Daarbij gaat het om nadere invulling van de voorwaarden en beperkingen die worden gesteld voor de toepassing van de overgangsregeling alsmede om nadere regels met betrekking tot het tijdstip en de wijze waarop de aanvullende aangifte moet worden gedaan. Voorts kan bij ministeriele regeling nadere invulling worden gegeven aan de uitvoering van de overgangsregeling om de samenloop met de huidige regels betreffende gebruik van de weg tijdens schorsing te voorkomen.
Handhaving van de voorwaarde dat er geen gebruik van de weg wordt gemaakt in januari, februari en december van het tijdvak waarvoor is gekozen voor de overgangsregeling, vindt plaats met behulp van onder andere automatische nummerplaatherkenning (ANPR). Overigens worden, voor zover niet anders vermeld, de huidige regels in de Wet MRB 1994 betreffende evenementenregeling gecontinueerd.
De overgangsregeling in 2014

Het nieuwe artikel 84b van de Wet MRB 1994 geeft enkele aanvullende bepalingen voor 2014 voor de toepassing van het overgangsrecht voor oldtimers. De reden hiervoor is dat de parlementaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel op zijn vroegst pas in december 2013 zal zijn afgerond waardoor het niet mogelijk is om te verlangen dat de betaling van de belasting vóór 1 januari 2014 heeft plaatsgevonden. Ook de voorbereiding door de Belastingdienst vergt tijd. Om de invoering van de overgangsregeling per 1 januari 2014 mogelijk te maken, geldt voor het jaar 2014 dat de houder van een voertuig dat in aanmerking komt voor de overgangsregeling achteraf (d.w.z. na de aanvang van het tijdvak) zijn keuze voor wel of geen toepassing van de overgangsregeling kenbaar maakt door middel van een betaling van het reguliere tarief dan wel het begunstigde tarief van de overgangsregeling vóór 1 maart 2014. Dit betekent dat ook als de houder voor de reguliere belasting kiest, hij uitstel van betaling krijgt tot 1 maart 2014 om het reguliere tarief te betalen dat verschuldigd is vanaf 1 januari 2014. Dit in afwijking van de normale procedure waarbij de belasting bij de aanvang van het tijdvak moet zijn betaald. De Belastingdienst zal eind 2013 beginnen met het verzenden van de brieven waarin de belastingplichtige wordt uitgenodigd tot het doen van een verzoek om toepassing van de overgangsregeling voor het jaar 2014 aan de houders van een daarvoor in aanmerking komend motorrijtuig. De betaling met betalingskenmerk aan de Belastingdienst dient dan te zijn gedaan vóór 1 maart 2014, dit in afwijking van het derde en het vijfde lid van het nieuwe artikel 84a van de Wet MRB 1994. Dit betekent tegelijkertijd dat in de maanden januari en februari 2014 nog niet duidelijk zal zijn voor welke motorrijtuigen de overgangsregeling voor het kalenderjaar 2014 uiteindelijk wordt toegepast. Daarom mag op grond van het tweede lid van genoemd artikel 84b in deze maanden nog onbeperkt gebruik worden gemaakt van de

8 Kamerstukken II 2011/12, 33 007, nr. 10